Soest

                                                               Geschiedens

van mooi Soest

(Bron:   Wikepedia)

Soest is een plaats en gemeente in de   Nederlandse provincie Utrecht.

De   gemeente telt 45.732 inwoners (1 januari 2010, bron: CBS) en heeft een   oppervlakte van 46,47 km2.

De naam Soest of Zoys of Soyse of Suysen of Sose betekent feitelijk: bron op de grens van hoge en lage grond.

Ook kan het komen van: nederzetting aan 'zijdeoost'.

De oorsprong van het dorp Soest ligt ook aan de oostzijde van De Engh.

De eerste sporen van (tijdelijke) bewoning rond Soest zijn teruggevonden in de Soester Duinen. Ongeveer 11.000 jaar voor Christus bevolkten enkele jagersgroepen deze streek.

De vondsten bestonden uit enkele stenen werktuigjes uit 8000 voor Christus. De grafheuvels op de Engh en die in het Monnikenbos zijn van ongeveer 2500 voor Christus.

De eerste vermelding van het dorp Soest dateert uit 1028.

Soest ontstond als een kolonie uit het dichtbij gelegen Amersfoort. De eerste boeren vestigden zich op de zuidoost helling van de Engh, een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Zo waren ze beschermd tegen de Zuiderzee, die regelmatig de Eempolder overstroomde.

De Engh werd ontgonnen en bemest, zodat deze geschikt werd voor akkerbouw. In de polder graasde het vee. De kolonie groeide uit tot een klein boerendorp.

Ten westen, achter de Engh, lag de buurtschap Heze dat ouder dan Soest was. Heze verdween echter doordat de zandverstuivingen, waar de tegenwoordige Soester Duinen een restant van zijn, aan de wandel gingen en de buurtschap in de 15e eeuw begroeven. De naam Heze leeft nu nog voort in de wijken Overhees en Hees.

Soest was regelmatig het strijdtoneel van militaire gebeurtenissen. Al in 1278 vond op de Engh een veldslag plaats tussen Holland en Utrecht.

Door de stichting van het klooster Mariënburg in 1470 werd Soest belangrijker en op 26 september 1472 verkreeg Soest schepenrecht. Al aan het begin van de 16e eeuw werd Soest geplunderd en platgebrand door de troepen van Maarten van Rossum. In de 17e eeuw ontstonden Zoestdyck en 't Hart. 't Hart was een buurtschap, die bestond uit schapenhouders en turfstekers. Turfsteken gebeurde overigens al in de 14e eeuw in het Soesterveen, maar intensiveerde in de loop van de 17e eeuw.

De turf werd met boten, de zogenaamde pramen, over de Praamgracht naar de Eem vervoerd.

In 1650 liet de toenmalige burgemeester van Amsterdam een buitenverblijf bouwen langs de hoofdweg tussen Soest en Baarn, de Hofstede aen Zoestdijck, het huidige Paleis Soestdijk, dat inmiddels in het Baarnse gedeelte van Soestdijk ligt. In 1674 liet Willem III van Oranje het verbouwen tot jachtslot. Soestdijk werd een dorp met een aantal grote buitens, net als Baarn, terwijl Soest zelf, het hoofddorp, een slaperig boerendorp bleef.

Soestdijk was rond 1890 een dorp waar de elite uit voornamelijk Amsterdam neerstreek. Zo waren er veel privéhuizen, maar ook verschillende hotels. De welgestelden kwamen naar Soestdijk vanwege de schone lucht en de mooie natuur.

In 1895 ging de Soester Paardentram rijden en in 1898 werd Soest met de Stichtse Lijn aangesloten op het spoorwegennet.

Rond 1900 telde Soest nog maar 4700 zielen. Pas rond 1920 groeiden Soestdijk en Soest aan elkaar. In de jaren dertig groeiden ook Soest-Zuid en de Buurtschap Soestduinen, met de bouw van vaak grotere villa's. In 1945 telde Soest 16.000 inwoners.

In de jaren zestig werd het dorp verder 'gemoderniseerd'. Dat hield in dat een aantal buitens gesloopt werd, zodat de oppervlakte van de tuinen extra ruimte opleverde voor woningbouw en omdat het onderhoud van de villa's simpelweg te kostbaar was geworden.

 

De hoofdstraat van Soestdijk onderging een metamorfose, wat achteraf niet bepaald een verbetering is geweest. De statige herenhuizen maakten plaats voor winkels en sociale woningbouw.

 

Het dorp zelf was hierdoor minder aantrekkelijk geworden en stuk voor stuk sloten de hotels en pensions hun deuren. Bekende hotels waren Hotel Trier, Hotel Eemland en het Oranjehotel.

In de jaren daarna breidde Soest zich verder uit, met de wijken Klaarwater en Smitsveen in de jaren '70 en Overhees in de jaren '80. De meest recente uitbreiding (1997) is de

 

KLAARWATER VERKLAARD

Waar komt   nu naam Klaarwater vandaan??

Door Hans   Kruiswijk

                                                                     

 

Het achter de Eng gelegen lage land is van oudsher een gebied met veen en klaar (helder) water. Het is een komvormig landschap waar het water eeuwenlang vrij spel had. Wij kennen die omgeving achter de Eng tegenwoordig als het Soesterveen, de Boerenstreek, Overhees, het Oude Grachtje en de wijk Klaarwater. De wijk Klaarwater ligt tussen de voet van de Eng met de vroegere ‘Wegh achter den Eng’, nu Nieuweweg en Beukenlaan en het Oude Grachtje, waar tegenwoordig de Koningsweg ligt.

 

De Klaarwaterweg was een weg van leem en grind, die in winterse perioden bijna onbegaanbaar was. In het uitgestrekte land woonden de mensen in daggelderwoningen en kleine keuterboerderijtjes. Bijna alle huisjes hadden een kleine ruimte voor veestalling. Via particuliere paden en weggetjes had men uitwegen naar de Beukenlaan en Nieuweweg.

 

Veelal hield men een geit, de koe van de arme mensen.

Water was het eeuwige probleem. Om daar iets aan te doen werd in 1906 het Waterschap Soesterveen opgericht. Belangrijkste taak was, zorg dragen voor ontwatering. In de talloze sloten, weteringen en veenplassen zwom veel vis. Toen in de zeer warme en droge zomer van 1911 het waterpeil heel laag was en sommige stukken land droog kwamen te liggen lag de paling er voor het oprapen. Het verhaal gaat dat de bewoners met kruiwagens de paling ophaalden. Vele jaren woonde op de Klaarwaterweg een visser, die in het uitgestrekte gebied zijn fuiken zette. Er werd ook nog turf gegraven. Later kwam er dankzij de betere waterbeheersing steeds meer grasland waarop vee geweid kon worden. De grond was niet veel waard. Voor een pak pruimtabak wisselden stroken land van eigenaar. Door het houden van kippen probeerden de bewoners hun sobere bestaan wat te verlichten. Vooral in de winter was de verzorging een hele klus als het drinkwater bevroor.

 

Slachtmaand

Van   oudsher is november de slachtmaand, de tijd om het vlees te oogsten.   Huisslachtingen vonden algemeen plaats. Er waren bewoners die twee varkens   hielden. Eén voor eigen gebruik en één om te verkopen. Het varken moest zo   zwaar en vet mogelijk zijn. Bij voorkeur een zeug die een paar keer gekeud   (gebigd) had. Algemeen werd het woord keu gebruikt, het woord big kende men   niet

                                                                     

 

In onze streken had je de keuenkoper, die bij de boeren het varkenskroost opkocht. Nadat het varken door de rondreizende boerenslachter via een masker was doodgeschoten, werd een ketel met heet water over de huid gegoten. Daardoor ging het haar los zitten en kon het gemakkelijk verwijderd worden. Er werd worst gemaakt en het vlees werd gepekeld en gerookt in een rookkast. Later kwam het wecken in zwang. In Soest kende men het zogenaamde ‘spek priezen’. Men kwam bij elkaar en monsterde het vet van de geslachte varkens. Het mooiste en dikste spek werd alom bewonderd en de varkensmester werd geprezen. Op die bijeenkomsten ging de borrelfles rond en dan kwamen de verhalen los.

 

De mensen aten veel aardappelen, die evenals de groenten, zelf werden geteeld. Groente die beperkt houdbaar was werd met zout in een Keulse pot gedaan. Daarop kwam een plankje met een zware zwerfkei, zodat het goed aangedrukt werd.

 

Omdat er veel aardappelen werden gegeten had ook de schillenboer zijn werk. Eén of twee keer per week kwam die met paard en wagen door Klaarwater om de schillen op te halen, die aan de varkens werden gevoerd.

 

Nu   herinnert bijna niets meer aan dit verleden. Begin jaren zeventig rukte   hoogbouw op in Klaarwater en veel oude huisjes werden gesloopt. Steeds meer   nieuwe, moderne woningen werden gebouwd, waardoor het aanzien van de wijk   sterk veranderde. Hier en daar staat nog een pand uit vroeger tijden, zoals   op de hoek Klaarwaterweg/Gerrit van de Veenstraat. Wat over is gebleven zijn   verhalen en herinneringen.

Met dank   aan de heer A.A. Roest.